Ad 1. De grondslag voor de gegevensverwerking bij de sociale-inclusiemodule


Elke gegevensverwerking moet gebaseerd zijn op ten minste een van de in artikel 6 lid 1 AVG weergegeven gronden. Voor bijzondere persoonsgegevens komt daar de voorwaarde van artikel 9 lid 2 AVG nog bij. In dit geval is de grondslag de uitdrukkelijk verkregen toestemming door de betrokkene (deelnemer) voor het wetenschappelijk onderzoek naar de impact van educatietrajecten.


De deelnemers maken gebruik van door de gemeente aangeboden leertrajecten. Een deelnemer kan in het geval deze dat wil maar is daartoe niet verplicht een aantal (in het algemeen drie) metingen in een periode van een aantal maanden laten afnemen om de resultaten van het gevolgde leertraject te meten. De deelnemer wordt voor het invullen van de vragenlijst geïnformeerd over het doel van de gegevensverwerking en gevraagd uitdrukkelijk in te stemmen met de verzameling en verwerking van de persoonsgegevens. De naam van de deelnemer is voor het onderzoek niet van belang, enkel op groepsniveau worden analyses gemaakt. Doel is immers om de impact van de educatietrajecten te meten.


De toestemming moet in vrijheid zijn gegeven en niet onder druk tot stand zijn gekomen. De toestemming is specifiek gericht op de verwerking van de gegevens om de impact van de gevolgde leertrajecten te kunnen monitoren. De deelnemer wordt ook geïnformeerd dat daarvoor de  verkregen persoonsgegevens direct worden gepseudonimiseerd (direct identificerende gegevens worden vervangen door een persoonlijke code) en zoveel als mogelijk worden geanonimiseerd en daarna worden gebruikt voor het onderzoek naar de impact van de gevolgde leertrajecten. De deelnemer moet expliciet een vakje aankruisen, zodat duidelijk blijkt dat de deelnemer instemt met de voorgestelde verwerking van zijn persoonsgegevens.